Economisch herstel en de olievraag
15 juli 2009. Bijdrage geleverd door Rembrandt Koppelaar.
Hoe zal de vraag naar aardolie verlopen in de komende 5 jaar? Dat was een van de vragen die het Internationaal Energie Agentschap (IEA) wilde beantwoorden in haar Medium Term Oil market Outlook (MTOMR). Een belangrijke rapportage die elk jaar wordt gepresenteerd aan de G8, waarvan de laatste editie eind juni is gepubliceerd. Ditmaal stonden er twee scenario’s in voor de ontwikkeling van de wereldeconomie op de middellange termijn.
Het eerste scenario is, zoals gewoonlijk voor het IEA, gebaseerd op groeiverwachtingen van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Deze schreef in de World Economic Outlook van afgelopen April dat de wereldeconomie (het BNP) vanaf 2010 weer zal gaan groeien. Eerst met een voorzichte 1.8% maar vanaf 2011 al met 4.2% en daarna met 4.8% per jaar. Dat staat in sterk contrast met dit jaar waar het IMF nog verwawcht dat de wereldeconomie met 1.4% inkrimpt. Volgens het IEA zal zulke groei in de komende jaren gepaard gaan met een toename in de olievraag van een geschatte 83.21 miljoen vaten per dag in 2009 naar 89 miljoen vaten per dag in 2014.
In het tweede scenario wat zelf door het IEA is gemaakt wordt een lagere groei in de wereldeconomie voorzien. Van maar 1.1% in 2010 en tussen de 2.7% en 3% vanaf 2011 tot 2014. De consequentie van zulke lage groei is dat de olieconsumptie met een zeer kleine hoeveelheid toeneemt naar een niveau van 84.93 miljoen vaten per dag in 2014.

Het goed nieuws volgens het IEA is dus dat de wereldeconomie zich vanaf volgend jaar in elk geval zal herstellen. Het slechte nieuws is dat het onzeker is of het een snel en sterk herstel zal zijn of een langzaam en mager herstel. Dat lijkt de boodschap als je de samenvatting van het rapport leest. Even verderop op pagina 18 die weinig beleidsmaker of journalist zal lezen is echter een disclaimer terug te vinden. Daar staat namelijk dat het IEA niet in staat is om met enige waarschijnlijkheid aan te geven dat haar scenarios uit zullen komen. Oftewel de scenarios voor de groei in de olieconsumptie zijn volgens de IEA haar eigen woorden redelijk uit de lucht gegrepen, wat daarmee meteen de waarde van deze scenarios verminderd.
Een andere belangrijke beperking van deze scenario’s is dat complexe verbanden in de economie niet zijn doorgerekend door het IEA. Dit wordt ook wel ‘ceterus paribus’ genoemt genoemd in de economie, wat betekent dat ‘de overige omstandigheden gelijkblijven’ wanneer een variabele zoals de olieprijs wordt veranderd. Zo wordt het dynamische verband tussen de olieprijs en de groei in de wereldeconomie (BNP) genegeerd, en wordt aangenomen dat de elasticiteiten (van vraag, inkomen en prijs) in zowel het hoge als lage groeiscenario hetzelfde zijn. Wederom wordt deze beperking pas genoemd op pagina 18 van het rapport. Het gevolg is dat de toekomst stabiel lijkt omdat het cyclische karakter van de economie niet wordt meegenomen. Er zitten geen terugkoppelingen in het onderliggende model van het IEA voor de olievraag. Dit is terug te vinden in de groeiverwachtingen voor Azië die vanaf 2010 zeer constant met 550,000 vaten per dag toeneemt (figuur 2)

Het Internationaal Energie Agentschap geeft hiermee in haar Medium Term Oil Market Outlook scenario’s voor de verwachte vraag naar aardolie in de komende vijf jaar die conservatief een lichte tot sterk groei extrapoleren.


