De relatie tussen ruimte en energieverbruik voor vervoer
12 april 2009. Bijdrage geleverd door Andreas Ligtvoet.
Op de website van het Colloquium Vervoersplanologisch Speurwerk kwam ik een paper van Boussauw, Lauwers en Witlox tegen, waarvan de samenvatting hieronder volgt:
Het is sinds lang duidelijk dat ongecontroleerde ruimtelijke ontwikkelingen hand in hand gaan met een toename van het autoverkeer. Nochtans wordt verplaatsingsgedrag niet enkel bepaald door de ruimtelijke structuur op zich. Ruimtelijke structuur kan echter wel facilterend werken voor effecten van andere elementen die de mobiliteit beïnvloeden, zoals financiële factoren of beperkingen in het vervoersaanbod.
De stijgende brandstofprijzen zullen wellicht een stimulans vormen voor een reductie van het brandstofverbruik, die veel sterker zal zijn dan elk overheidsbeleid voorheen. Mensen die zich verplaatsen zullen niet enkel overstappen op zuinigere vervoermiddelen, maar zullen ook proberen de dagelijkse pendelafstanden te reduceren. De ruimtelijke dynamiek zal in toenemende mate het belang van het concept “nabijheid” weerspiegelen. Het ruimtelijk beleid zou erop gericht moeten zijn op deze dynamieken te anticiperen, en ze te faciliteren met het oog op een duurzame ontwikkeling.
In het algemeen zal het functioneren van de ene ruimtelijke structuur gevoeliger zijn voor een moeilijkere toegang tot brandstof dan de andere. Op verschillende schaalniveaus kan een typologie van de ruimte worden ontwikkeld op basis van olieafhankelijkheid. Vervolgens kan het potentieel voor een verdere verduurzaming van een wijk, stadsdeel, regio bepaald worden. Een combinatie van beide kenmerken kan een maat vormen voor de robuustheid van de wijk onder externe wijzingen in het aanbod van brandstof.
Om deze relaties te onderzoeken werd voor Vlaanderen en Brussel een kaart ontwikkeld die de regionale variatie in het energieverbruik voor het woon-werkverkeer weergeeft. De gebruikte data is afkomstig van de federale Sociaal-Economische Enquête uit 2001. De kaart toont een ruime variatie in niveaus van energieverbruik voor vervoer. Voor bepaalde regionale verschillen zijn de redenen duidelijk. In de grote steden, bijvoorbeeld, zijn de woon-werkafstanden kleiner en zijn voetgangers of openbaar-vervoergebruikers meer aanwezig. In andere gebieden merken we fenomenen op die minder evident zijn. In streken met een doorgedreven ruimtelijke mix van wonen en werken kan er in het algemeen gesproken worden van een lager energieverbruik. In landelijke gebieden met een beperkte werkgelegenheid zien we toenemende energieniveaus in de omgeving van opritten van het autosnelwegnet, te wijten aan geïnduceerd pendelverkeer.
Onder meer deze bevindingen bieden ons een kader waarbinnen achterliggende oorzaken diepgaander onderzocht kunnen worden. Dit onderzoek kan op haar beurt leiden tot beleidsaanbevelingen die anticiperen op een minder olie-afhankelijke ruimtelijkeconomische structuur.
Reactie's
-
http://www.solarwebsite.nl Jeroen Haringman
-
wouter
-
Wijnandt T. de Vries
-
http://www.zerauto.nl marc bolier
-
http://www.solarwebsite.nl Jeroen Haringman
-
Bert
-
http://www.zerauto.nl marc bolier


