Reading the Oilwatch Monthly o…
28 april, 2009
Reading the Oilwatch Monthly of April 09 ~ http://tinyurl.com/dczmus
Oilwatch Monthly April 2009
17 april, 2009
De laatste editie van Oilwatch Monthly (April 2009 – 2.0 MB – 28 pagina’s ) kan nu worden gedownload. Oilwatch Monthly is onze maandelijkse nieuwsbrief met de laatste ontwikkelingen op het gebied van olieproductie, olie-export, strategische reserves & marktanalyse. Oilwatch Monthly verschijnt ook op www.theoildrum.com. Aanmelding voor automatische toezending kan door u hier in te schrijven onder Oilwatch Monthly.
Rapportage: Hoeveel aardolie valt er nog te produceren?
15 april, 2009
Ondanks de dalende aardolieproductie in meer dan 30 van de 50 grote olieproducerende landen blijven er onderzoeken komen waarin wordt geconcludeerd dat er meer dan voldoende aardolie geproduceerd kan worden in de komende decennia om aan een scherp groeiende vraag te voldoen. Niet alleen sommige oliemaatschappijen maar ook een groot aantal wetenschappers denkt dat de piek in de aardolieproductie nog lang niet in zicht is. Zo stond in de laatste editie van de Energy Journal van de International Association of Energy Economists een artikel van een aantal wetenschappers van de Colorado School of Mines, Aguilera et al. (2009), waarin werd geconcludeerd dat dat de verwachting van een scherpe stijging in de olieprijs in de komende twee decennia naar een nieuw niveau rond 120 dollar per vat onterecht is. Een dergelijk hoog olieprijsscenario is ondermeer als basis genomen in de nieuwe World Energy Outlook 2008 van het Internationaal Energie Agentschap (IEA). De auteurs van de publicatie in de Energy Journal betwijfelen dus of het IEA tegenwoordig niet een te hoge olieprijs neemt voor haar toekomstscenario’s tot aan 2030
Peakoil Nederland analyseerde het artikel van Aguilera et al. (2009) uitgebreid in een 45 pagina tellende rapportage. Daarin wordt ingegaan op de te ontdekken hoeveelheden aardolie tot 2030, de technologische ontwikkeling waardoor meer oliereserves winbaar worden, ook wel reservegroei genoemd, en de ontwikkelingen van de oliemarkt op de korte termijn tot 2015. Deze rapportage waarvan de samenvatting hieronder is toegevoegd is hier te downloaden
De conclusie van Aguilera et al. (2009) wordt getrokken op basis van een berekening van het nog te ontdekken potentieel en de reservegroei van conventionele aardolie, met een resultaat van respectievelijk 1532 miljard vaten en 1070 miljard vaten. Vervolgens worden deze hoeveelheden uitgezet tegen een kostenschatting voor de productie waaruit zou moeten blijken dat rond de 3,500 miljard vaten nog te winnen zijn aan conventionele aardolie, afgebeeld in onderstaande figuur 1 afkomstig uit het artikel.
Daarbovenop worden de totale hoeveelheden aan ‘moeilijk’ winbare of onconventionele aardolie even opgeteld tegen een zeer ruwe schatting van de kosten van winning, afgebeeld in onderstaande figuur 2 afkomstig uit het artikel.

Dergelijke berekeningen komen betrouwbaar over aangezien ze gepubliceerd worden in een peer-reviewed wetenschappelijk journal. Zonder al te veel achtergrondkennis worden de aannames en mogelijke fouten die de wetenschappers maken al snel over het hoofd worden gezien. Op basis van een vijftal redenen kan de berekening en daarmee gepaard gaande conclusie van Aguilera et al. (2009) dat er in de komende decennia voldoende aardolie beschikbaar is in twijfel worden getrokken:
- Data uit USGS (2000) wordt gebruikt waarin het potentieel aan toekomstige ontdekkingen te optimistisch is geschat. Terwijl 30% van de periode van 1996 tot 2025 aangegeven door de USGS verstreken is, is 12,7% van het potentieel aan reserves ontdekt.
- Ten tweede vanwege de dubbeltelling van reservegroei omdat de onjuiste aanname wordt gemaakt dat de USGS de reservegroei in nog niet ontdekte olievelden niet berekend zou hebben.
- Ten derde vanwege het niet meenemen van een groot aantal limiterende factoren, waaronder de beschikbaarheid van water en aardgas, die meespelen in de productie en het kostenverloop van onconventionele aardolie.
- Ten vierde vanwege de directe vergelijking van conventionele aardolie met onconventionele aardolie, terwijl de productiemechanismen en productiesnelheid sterk verschillen.
- Ten vijfde omdat het niet waarschijnlijk is dat het kostenplaatje van één of enkele jaren geëxtrapoleerd kan worden naar de gehele toekomst. De kosten veranderen met de tijd vanwege kostendalingen door technologische innovaties, en kostenstijgingen omdat de kwaliteit van de aardolie en de grootte van de velden afneemt en vanwege steeds moeilijkere wingebieden. De gebruikte economische schatting is gelimiteerd en geeft weinig houvast. Een betere methode zou het analyseren van de investeringskosten en variabele kosten over een langdurige tijdserie per olieprovincie moeten behelzen.
Een betere schatting voor de nog te vinden hoeveelheid aardolie is te vinden in een extrapolatie van het cyclische dalende ontdekkingspatroon sinds 1960 hetgeen een resultaat van circa 250 miljard vaten geeft. De aanname voor reservegroei van de USGS van 730 miljard vaten tussen 1996 en 2025 is tot nu toe een goed uitgangspunt gebleken. Tussen 1 januari 1996 en 1 januari 2004 is 28% of 171 miljard van de 730 miljard vaten aan verwachte reservegroei gerealiseerd (Klett et al. 2005). Voor het verloop van de aardolieproductie op de lange termijn, in de komende 20 tot 30 jaar, is het nodig om meer inzicht te verkrijgen in het productiepotentieel van zowel Non‐OPEC als OPEC. Op basis van de huidige reserves is het potentieel voor productiegroei in Non‐OPEC onvoldoende en zal een structurele dalende trend inzetten in de komende jaren. Van de reserves in met name OPEC Midden‐Oosten is weinig bekend vanwege het gebrek aan data afkomstig van betrouwbare partijen wat het onzeker maakt of OPEC voldoende productiepotentieel op gang kan brengen om de daling in Non‐OPEC kan compenseren in de periode tot 2020 en mogelijk daarna.
Referenties
Aguilera, R. F., Eggert, R.G., Gustavo Lagos, C.C., Tilton, J.E., 2009, Depletion and the Future Availability of Petroleum Resources, The Energy Journal, Vol. 30, No.1, pp. 141‐174.
Klett, T.R., Gautier, D.L., Ahlbrandt, T.S., 2005, An evaluation of the U.S. Geological Survey World Petroleum Assessment 2000, American Association of Petroleum Geologists Bulletin, Vol. 89, No. 8, pp. 1033‐1042.
USGS, 2000, World Petroleum Assessment 2000, Denver: USGS Information Services, 514 pagina’s.
De relatie tussen ruimte en energieverbruik voor vervoer
12 april, 2009
Op de website van het Colloquium Vervoersplanologisch Speurwerk kwam ik een paper van Boussauw, Lauwers en Witlox tegen, waarvan de samenvatting hieronder volgt:
Het is sinds lang duidelijk dat ongecontroleerde ruimtelijke ontwikkelingen hand in hand gaan met een toename van het autoverkeer. Nochtans wordt verplaatsingsgedrag niet enkel bepaald door de ruimtelijke structuur op zich. Ruimtelijke structuur kan echter wel facilterend werken voor effecten van andere elementen die de mobiliteit beïnvloeden, zoals financiële factoren of beperkingen in het vervoersaanbod.
De stijgende brandstofprijzen zullen wellicht een stimulans vormen voor een reductie van het brandstofverbruik, die veel sterker zal zijn dan elk overheidsbeleid voorheen. Mensen die zich verplaatsen zullen niet enkel overstappen op zuinigere vervoermiddelen, maar zullen ook proberen de dagelijkse pendelafstanden te reduceren. De ruimtelijke dynamiek zal in toenemende mate het belang van het concept “nabijheid” weerspiegelen. Het ruimtelijk beleid zou erop gericht moeten zijn op deze dynamieken te anticiperen, en ze te faciliteren met het oog op een duurzame ontwikkeling.
In het algemeen zal het functioneren van de ene ruimtelijke structuur gevoeliger zijn voor een moeilijkere toegang tot brandstof dan de andere. Op verschillende schaalniveaus kan een typologie van de ruimte worden ontwikkeld op basis van olieafhankelijkheid. Vervolgens kan het potentieel voor een verdere verduurzaming van een wijk, stadsdeel, regio bepaald worden. Een combinatie van beide kenmerken kan een maat vormen voor de robuustheid van de wijk onder externe wijzingen in het aanbod van brandstof.
Om deze relaties te onderzoeken werd voor Vlaanderen en Brussel een kaart ontwikkeld die de regionale variatie in het energieverbruik voor het woon-werkverkeer weergeeft. De gebruikte data is afkomstig van de federale Sociaal-Economische Enquête uit 2001. De kaart toont een ruime variatie in niveaus van energieverbruik voor vervoer. Voor bepaalde regionale verschillen zijn de redenen duidelijk. In de grote steden, bijvoorbeeld, zijn de woon-werkafstanden kleiner en zijn voetgangers of openbaar-vervoergebruikers meer aanwezig. In andere gebieden merken we fenomenen op die minder evident zijn. In streken met een doorgedreven ruimtelijke mix van wonen en werken kan er in het algemeen gesproken worden van een lager energieverbruik. In landelijke gebieden met een beperkte werkgelegenheid zien we toenemende energieniveaus in de omgeving van opritten van het autosnelwegnet, te wijten aan geïnduceerd pendelverkeer.
Onder meer deze bevindingen bieden ons een kader waarbinnen achterliggende oorzaken diepgaander onderzocht kunnen worden. Dit onderzoek kan op haar beurt leiden tot beleidsaanbevelingen die anticiperen op een minder olie-afhankelijke ruimtelijkeconomische structuur.


