Oogkleppen over windenergie
27 februari 2008. Bijdrage geleverd door Vrije Woord.
Onder het kopje vrije woord verschijnen vanaf vandaag gastbijdrages en persoonlijke columns op peakoil.nl. De kick-off van Rob Kemmeren, projectleider stadsverwarming bij het ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam (OGA). In de vorm van zijn reactie op het artikel ‘Windmolens zijn lelijk, duur en leveren niks op. Waarom zoveel subsidie steken in een onbetrouwbare en nooit rendabele energievorm’, wat verscheen in NRC Handelsblad op 6 februari.
“Het lezen van de ingezonden brief van ‘Universiteitshoogleraar’ prof dr B.M.S Van Praag over subsidie van windenergie leidt tot grote ergenis. Het artikel geeft weinig interessante informatie, en de feiten worden suggestief en eenzijdig gepresenteerd. Wie echt wat wil weten over windenergie raad ik de sites van Jaap Langenbach en van de Europese Wind Associatie aan. Na enige verdieping wordt duidelijk waarom windenergie wereldwijd booming business is, en waarom Nederland onderhand tot het domste jongetje van de klas behoort.
Van Praag haalt een aantal klassieke stokpaardjes tegen windenergie naar voren.
- Ten eerste. Hij beweert dat de opbrengst van windmolens in de publiciteit wordt overschat, omdat een vergelijking wordt gemaakt met enegiegebruik van het aantal huishoudens. Dat lijkt volgens hem veel, maar is het niet omdat het huishoudelijk gebruik maar 10 procent van de energievraag bedraagt. Helemaal onjuist is zijn redenering niet, maar toch is het een ergerlijke vergelijking. Het gebruik van (wind)stroom wordt weggerelativeerd tegen het gehele Nederlandse energieverbruik (dus inclusief verkeer, industrie, warmtevraag in huishoudens enz.). Op deze wijze wordt iedere individuele maatregel zinloos. Een vergelijking binnen de electriciteitssector ligt meer voor de hand. Ter informatie: het aandeel in de electriciteitsvraag van huishoudens bedraagt 20 procent [CBS 2008]; een beetje rekenwerk leidt tot de vuistregel dat 1 MW windenergie op land genoeg electriciteit oplevert voor ongeveer 900 huishoudens.
- Ten tweede. Van Praag beweert: “Aan de totale Nederlandse energiebehoefte dragen de windmolens slechts voor één of twee procent bij, en dat zal ook bij een verdubbeling tot 2.000 molens zo blijven”. Als ik hem goed begrijp, wordt ook hier de (wind)stroom weggerelativeerd tegen het gehele Nederlandse energieverbruik. Ook hier luidt mijn repliek dat een vergelijking binnen de electriciteitssector logischer is. Ter informatie: volgens het CBS was het aandeel windenergie in de electriciteitsproductie in 2006 2,4 procent [CBS 2008]. De CBS cijfers lopen echter iets achter, en het feitelijke aandeel is nu al 3 a 3,5 procent. Door het bouwen van windmolens op zee zal dit aandeel snel groeien.
- Ten derde: Van Praag heeft veel woorden nodig om uit te leggen dat het soms nooit, soms zachtjes, soms hard en soms te hard waait. De gemiddelde productiviteit van windmolens (de zgn vermogensfactor) bedraagt volgens hem slechts 20 procent. Dat is niet helemaal juist. Het is 25 procent op land en 35 procent op zee. In dit verband is het nog aardig om te vermelden dat ook gas- en kolencentrales voor de helft van de tijd buiten werking staan.
Van Praag stelt dat windmolens niets kunnen opleveren. Hier slaat hij de plank volledig mis. Wie over de dijken kijkt, ziet andere feiten. In Denemarken staat voor 3.100 MW aan windvermogen, goed voor 20 procent van de electriciteitsproductie. Het windvermogen in Duitsland bedraagt 22.000 MW, de windproductie ongeveer 8 procent (het officiële, bij uitkomst al wat verouderde cijfer, is overigens 6,4 procent). Nog interessanter zijn de Duitse deelstaten die vergelijkbaar met Nederland zijn. Niedersachsen is windkampioen. De deelstaat heeft ongeveer eenzelfde oppervlakte als Nederland, maar heeft minder goede windcondities. Toch staat er 5.646 MW aan windvermogen, hetgeen goed is voor 20 procent van het stroomproductie. Nederland steekt er met 1.500 MW [CBS 2006] en ongeveer 3 procent electriciteitsproductie mager bij af.
De hierboven genoemde getallen geven slechts de huidige stand van zaken weer. Echt boeiend is de vraag hoe hoog dat percentage rond 2020 of 2030 zou kunnen zijn. De windindustrie noemt al cijfers van 30 tot zelfs 50 procent. Het voorspellen van de toekomst is altijd problematisch, en cijfers vanuit de branche moeten altijd met het nodige wantrouwen worden bekeken. Maar toch, de ervaringen uit het verleden stemmen hoopvol. De groei van windenergie is het afgelopen decennium stelselmatig onderschat, en steeds weer overtrof de branche alle verwachtingen. De ontstuimige wereldwijde groei van windenergie met 20 procent tot 30 procent per jaar geeft in ieder geval goede hoop.
Van Praag vindt windmolens lelijk. Misschien heeft hij gelijk en in Nederland schijnen helaas meer mensen deze mening toegedaan te zijn. Kennelijk vindt hij het platte, kale, industrielandschap dat wij ‘groene weide’ plachten te noemen wel mooi. Het zij zo. We zullen het nooit eens worden. Hopelijk kunnen we veel wind op zee bouwen, hoewel zelfs dat sommige fijnbesnaarde zielen pijn aan de ogen schijnt te doen. Van Praag vindt electriciteit uit windmolens tenslotte ook nog duur. Waarschijnlijk heeft hij daar een beetje gelijk in. Maar hoe kan hij dat weten? Je verwacht een analyse op nationaal niveau van het aantal MW, MWh, en terugleververgoedingen. Niets van dat alles. Hij beargumenteert de hoge kosten door te verwijzen naar de hoge inkomsten van de boer. Deze kunnen volgens het vakblad De Boerderij wel tot 70.000 Euro oplopen! Kennelijk is windenergie wel rendabel, maar vindt Van Praag de subsidieregelingen te ruimhartig.
De industriële grootmacht Duitsland heeft al lang voor duurzame energie gekozen, en windenenergie is daar een belangrijk onderdeel van. De sector groeit daar als kool. Nu al zijn er 265.000 werknemers, waarvan 70.000 in de windindustrie. Men verwacht een verdubbeling tot 2020 (zie ook hier]. Als bondskanselier Merkel op het wereldtoneel voor een beter klimaatbeleid pleit, staat industrieel Duitsland achter haar. De halve argumenten van Van Praag leiden tot niets: geen duurzaamheid, geen werkgelegenheid, wel heel veel ergenis.”
Rob Kemmeren
Reactie's
-
Henk Daalder
-
mechanieker
-
polderjongen
-
mechanieker
-
Bart van Meerkerk
-
phiro
-
Peter
-
Mechanieker
-
ome henk
-
Bart van Meerkerk
-
ome henk
-
Ark
-
Bart van Meerkerk
-
Bart van Meerkerk
-
Koen


