Kamervragen over peakoil: meer investeren in olie
14 december 2007. Bijdrage geleverd door Rembrandt Koppelaar.
Op 16 november werden er in de tweede kamer schriftelijk vragen gesteld over peak oil. Het tweede kamerlid Duyvendak van Groenlinks formuleerde zeven vragen aan Maria van der Hoeven, Minister van Economische Zaken. De antwoorden werden enkele dagen geleden gepubliceerd. Zo vroeg Duyvendak of de minister bekend is met de berichtgeving over topmensen uit de olieindustrie die beweren dat een plafond in de olieproductie die binnen enkele jaren bereikt zal worden, en wat haar reactie daar op is (zie de uitlatingen hoofdcommissarisen Total en ConocoPhillips).
Daarop schreef de Minister:
“De huidige hoge olieprijs wordt veroorzaakt door een krappe oliemarkt, speculatieve oliehandel en geopolitieke spanningen tussen een aantal olieproducerende landen. De krappe oliemarkt is ontstaan doordat de investeringen in de uitbreiding van de aanbodcapaciteit achtergebleven zijn bij de sterke vraagstijging uit o.a. China en India. Door de sterk gestegen vraag naar olie en doordat het aantal eenvoudig te winnen olievelden afneemt zal de olieprijs op structurele basis hoogstwaarschijnlijk blijvend hoger zijn dan voorheen. Het bereiken van een productieplafond in de wereldwijde olieproductie zal niet zozeer ontstaan door een tekort aan olie, maar door een tekort aan productie-, raffinageen distributiecapaciteit. De productie uit nieuwe olievelden moet zowel de afnemende productie in bestaande velden vervangen als voorzien in de stijging van de vraag naar olie. Om de productiecapaciteiten raffinagecapaciteit te vergroten zijn grote investeringen nodig.”
Op de vraag, Welke gevolgen hebben de hoge olieprijs en het bereiken van een productieplafond in de olieproductie op de economische onderbouwing van het huidige kabinetsbeleid?, antwoord de Minister: “Het CPB simuleert in CPB document No 1231 het partiële effect van een olieprijsstijging op de economie voor zowel de korte als middellangetermijn. Geïsoleerd bezien heeft een hogere olieprijs een negatief effect op de economische groei. Door de olieprijsstijging dalen de winstmarges van bedrijven en zullen investeringen afnemen. De mate waarin bedrijven direct worden geraakt hangt af van hoe zeer zij de olieprijsstijging kunnen doorberekenen aan de consument. De werkloosheid zal toenemen, met als gevolg een neerwaarts effect op de contractloonontwikkeling. Dit alles heeft zijn weerslag in het beschikbaar inkomen van burgers wat zich doorvertaalt in een lagere consumptie. Op dit moment zien we een dergelijke groeivertraging niet optreden. Hiervoor is een aantal redenen aan te voeren. Ten eerste is de olieprijsstijging (deels) te verklaren door de hoge mondiale economische groei (m.n. China, India) die leidt tot een hogere vraag naar olie. De groei van de voor Nederland relevante wereldhandel is mede hierdoor sinds 2003 gemiddeld met 6,5% gestegen en is daarmee de afgelopen jaren robuust en zeer gunstig geweest. Ten tweede is sinds de jaren ’70 het effect van een hoge olieprijs op de wereldeconomie afgenomen, doordat veel efficiënter wordt omgegaan met energie (zie ook CPB memorandum 95 en 104). Ook zijn economieën nu flexibeler dan in het verleden, waardoor deze beter in staat zijn een hogere olieprijs te absorberen. Tot slot is de consument meer vertrouwd geraakt met volatiele prijzen. Er is vertrouwen dat het monetair beleid de inflatoire effecten van een hoge olieprijs beperkt zal houden.Per saldo worden daarom vooralsnog geen effecten voorzien van de hogere olieprijs op de economische onderbouwing van het huidige kabinetsbeleid.”
De meest interessante van de zeven vragen is wel de laatste: Ziet u de noodzaak van het samenstellen van een onderzoekscommissie die de effecten van een piekende olieproductie in Nederland in kaart brengt?
Waarop de Minister antwoord: “Nee, zoals hierboven is weergegeven is het belangrijker dat er voldoende
in de productie-, raffinage- en distributiecapaciteit geïnvesteerd wordt.”
Die laatste opmerking lijkt ingegeven te zijn door de bevindingen van het Internationaal Energie Agentschap. Welke tegenwoordig waarschuwt dat er te weinig geïnvesteerd wordt in de aardolieproductie wereldwijd. De hoofdeconoom van het IEA vertelde recentelijk dat bij het huidige vooruitzicht er een tekort zal ontstaan van 12.5 miljoen vaten per dag tegen 2015. “Some 37.5 million barrels a day of additional oil-production capacity is needed by 2015, but only 25 million barrels a day are planned, International Energy Agency Chief Economist Fatih Birol said…To narrow the gap, major oil producers, especially OPEC members, must ramp up production, Birol said, while major oil consumers, including the U.S., must make policy changes to ease demand…While those changes are possible, there are “no major reasons to be optimistic,” Birol said at an event hosted by the Council on Foreign Relations. Birol said he is worried that oil-producing nations will allow parochial political interests to get in the way of global economic interests.”
De vraag is of het niet beter is om in eigen land wat te gaan doen aan het verminderen van het olieverbruik, in plaats van af te wachten totdat politiek gevoelige landen ooit of wellicht nooit de knoop doorhakken om buitenlandse maatschappijen toe te laten. Zodat de kennis en investeringsmogelijkheden om de olievelden in de landen van het Midden-Oosten te ontwikkelen op gang komt.
Reactie's
-
polderjongen
-
Emil Möller
-
Olievier
-
guido
-
De Belg
-
Stev
-
patrick
-
Paul
-
ElTiburon
-
Projectmanagement
-
Mechanieker
-
jarl
-
jcwhitefang
-
Tim
-
Marc
-
Nozzie
-
willem
-
PaulK


