Gouden ei gelegd voor duurzame bio-energie
1 mei 2007. Bijdrage geleverd door Rembrandt Koppelaar.
Met de overhandiging van het rapport “toetsingskader voor duurzame productie van biomassa” aan de minister van VROM, Jacqueline Cramer, werd vorige week geschiedenis geschreven. Het rapport bevat de meest progressieve visie ter wereld hoe we de toekomstige energiestromen uit planten en bomen moeten verduurzamen, met de handtekening van o.a. de Rabobank, Shell, Electrabel, Essent, OxfamNovib en Cargill. Een stap die broodnodig is om ervoor te zorgen dat biomassa zo min mogelijk zal concurreren met voedsel, zorgt voor een fikse vermindering van de uitstoot van koolstofdioxide, ook ten goede komt aan de lokale bevolking, bodemerosie voorkomt enzovoorts. Overduidelijk hoe het mis kan gaan zonder in te grijpen is te zien in de verbranding van palmolie in Nederlandse elektriciteitscentrales, welke onder het mom van klimaatneutrale brandstof werd geïmporteerd. Door het droogleggen van de veengronden in Indonesië voor het aanleggen van palmolieplantages kwam echter veel meer broeikasgas vrij dan dat de reductie door het vervangen van fossiele brandstoffen opleverde. Ook de volgende figuur uit het rapport spreekt boekdelen:
Het idee achter de criteria is om in eerste instantie bedrijven alleen nieuwe subsidies voor bio-energie te verlenen als aan de criteria wordt voldaan. Een systeem dat van kracht zouden moeten komen wanneer de nieuwe subsidieregeling voor duurzame energie wordt ingesteld in de loop van volgend jaar. Daarbovenop hoopt men op de algemene acceptatie van bedrijven, om ook wanneer er geen sprake is van subsidie zich te houden aan de criteria. Het raamwerk van de criteria bestaat uit 9 uitgangspunten waar de diverse criteria met toetsbaarheid aan op zijn gehangen:
1. De broeikasgasbalans van de productieketen en toepassing van de biomassa is positief.
2. Biomassaproductie gaat niet ten koste van belangrijke koolstofreservoirs in de vegetatie en in de bodem.
3. Biomassaproductie voor energie mag de voedselvoorziening en lokale biomassa toepassingen (energievoorziening, medicijnen, bouwmaterialen) niet in gevaar brengen.
4. Biomassaproductie gaat niet ten koste van beschermde of kwetsbare biodiversiteit en versterkt waar mogelijk de biodiversiteit.
5. Bij de productie en verwerking van biomassa blijven de bodem en de bodemkwaliteit behouden of worden ze verbeterd.
6. Bij de productie en verwerking van biomassa worde grond- en oppervlaktewater niet uitgeput en wordt de waterkwaliteit gehandhaafd of verbeterd.
7. Bij de productie en verwerking van biomassa wordt de luchtkwaliteit gehandhaafd of verbeterd.
8. Productie van biomassa draagt bij aan de lokale welvaart.
9. Productie van biomassa draagt bij aan het welzijn van de werknemers en de lokale bevolking.
Voor principe 1, de broeikasgasbalans, betekent dit bijvoorbeeld dat de emissiereductie van broeikasgassen in de beginperiode minstens 50-70% moet zijn voor de elektriciteitsproductie en ten minste 30% voor biobrandstoffen ten opzichte van fossiele brandstoffen. Voor later adviseert de projectgroep dat moet worden gestreefd naar ten minste 80 tot 90% emissiereducties over tien jaar. Die reducties kunnen berekend worden doormiddel van een ingewikkeld rekenschema, wat er ongeveer zo uit gaat zien:
Minder gemakkelijk cijfermatig te beoordelen zijn veel andere criteria. Wanneer het gaat om de competitie van brandstof met voedsel bijvoorbeeld, principe 3, wil men op aanvraag van de Nederlandse overheid een rapportage kunnen krijgen welke inzicht geeft in o.a. verschuivingen van teelt, statistieken over landgebruik en opbrengsten en veranderingen in prijsinformatie over land en voedsel. Nog een hele reeks factoren moeten daartoe in een systematiek gevoegd worden welke nog niet eens bestaat. Bovendien is per pas duidelijkheid nadat een gedeelte van het kwaad is geschied. Het meest problematische van de criteria is echter hoe we ervoor zorgen dat er een zo groot mogelijk draagvlak ontstaat in de vele landen van de wereld om soortgelijke systemen te omarmen. Dat begint met het opstellen van een praktisch certificeringsysteem voor duurzame biomassa, waarvoor in het rapport drie verschillende voorstellen zijn gedaan, volg- en traceer, massa balans en verhandelbare certificaten, waarmee ik u verder niet vermoei, dat zult u bij interesse toch even zelf op moeten zoeken op pagina 25 t/m 29 van het rapport.
Kritiek hebben is echter erg makkelijk op welk onderwerp dan ook, voorlopig geef ik het voordeel van de twijfel aan deze insteek die kan leiden tot een succesformule. Zeker aangezien de voorzitter van de commissie welke het rapport schreef, Jacqueline Cramer, dezelfde is die nu het beleid moet uit gaan stippelen als minister van VROM. Dat het rapport wat voorlopig nog een status als adviesrapportage kent zo snel mogelijk geadopteerd mag worden door Nederland en de EU in beleidskaders.
Reactie's
-
Rembrandt Koppelaar
-
Jeroen Haringman
-
Paul Metz
-
Huijbers
-
Rembrandt
-
oliemarc
-
Kruo
-
Huijbers
-
Kruo
-
Rembrandt
-
Kruo




