Op 6 maart heeft de Tweede Kamer een reactie van de Minister van EL&I gevraagd op de bezorgdheid van de Kamer over de stijgende olieprijs en de gevolgen daarvan op de Nederlandse economie. Op 19 maart heeft Minister Verhagen in een
brief daarop gereageerd.
Kort samengevat komt zijn antwoord neer op het volgende. Er is een structurele component in de prijsstijging, nl achterblijvend aanbod, en een element van bezorgdheid over de politieke situatie in het Midden-Oosten en de dreiging van een boycot van Iran.
Voor de lange termijn hoeven we ons echter geen zorgen te maken. De prijs zal in 2035 $ 120 bedragen (in constante $$), vooropgesteld dat er voldoende investeringen in nieuwe velden en winningtechnieken zullen plaatsvinden. Er zou in ook 2035 nog ruim voldoende olie en gas beschikbaar zijn. Hij baseert zich daarbij op oude IEA rapporten en laat een belangrijk deel van het probleem onbenoemd. Peakoil Nederland vestigt graag de aandacht op het missende deel uit zijn verhaal.
De antwoorden van het ministerie geven volgens vele deskundigen een veel te rooskleurige voorstelling van zaken. Dat is gevaarlijk, want de Nederlandse economie is zeer sterk olieafhankelijk. Ook daar hebben vele deskundigen al vaker op gewezen en het wordt tijd dat de Kamer zich dat realiseert en aandringt op adequate maatregelen om die afhankelijkheid sterk te verminderen.
Less Crude.
De wereldwijde olieproductie en dus ook de olieconsumptie, beweegt zich al enkele jaren op een plateau van ca. 85 miljoen vaten (van 159 liter) per dag. De samenstelling van zowel de productie als de consumptie verandert echter structureel.
Al in 2010 heeft het IEA (Internationaal Energie Agentschap) in haar World Energy Outlook gewaarschuwd dat de olieproductie “becomes less crude”. Dat wil zeggen dat de conventionele olie uit de traditionele productiegebieden over haar hoogtepunt heen is en geschat wordt dat de structurele afname tussen 5 en 8 % per jaar bedraagt. Dat is een volume vermindering van 3–5 miljoen vaten per dag per jaar, op een totaal van ca 65 miljoen vaten in 2011. Dat houdt in dat er dit jaar 3-5 miljoen vaten per dag minder geproduceerd worden, volgend jaar 6-9 miljoen vaten, het jaar daarna 9-12 miljoen, enzovoort. In 2020 behalen we nog maar de helft van het huidige niveau.
Dat alles moet gecompenseerd worden, want de vraag uit de onwikkelende landen, vooral China zal blijven stijgen. Verbruikte China in 1980 nog 2 miljoen vaten per dag, in 2010 was dat 10 miljoen vaten en in dat zal in 2020 18 miljoen vaten zijn. Daarnaast komt er vanuit de OPEC landen steeds minder olie op de markt als gevolg van het snel stijgende eigen verbruik door de aanhoudend hoge bevolkingsgroei. De Saoedische olie-minister verklaarde onlangs, dat het eigen verbruik vóór 2025 8,5 miljoen vaten per dag zal zijn, ongeveer evenveel als hun huidige productie. De consumptie in de OESO landen, de VS voorop daalt weliswaar structureel, maar onvoldoende om de groei elders te compenseren.
Non conventionele olie of non economical oil.
Hoe kan de structureel afnemende productie van Crude Oil gecompenseerd worden, zodat het totale aanbod tenminste op het huidige plateau kan blijven, of zelfs groeien? Dan moet het stokje overgedragen worden aan de productie van non-conventionele olie. Dat is een hele serie van mogelijkheden: Teerzanden, Diepzeewinning, winning in het Noordpoolgebied, Shale oil, Ethanol uit biomassa en nog zowat.
Om daar uiteindelijk in 2020 tenminste 50 miljoen vaten per dag mee te produceren, een ruime verdubbeling in 8 jaar, is een illusie. Dat zou een groeiratio van 15% per jaar betekenen, uit bronnen die zeer moeizaam en tegen hoge kosten te exploiteren zijn. De exploratie van de Arctische gebieden bijvoorbeeld moet nog beginnen en het duurt zeker 5-7 jaar voordat er sprake zal zijn van enige significante productie volumes. De productie uit Teerzanden vergt nu al enorme hoeveelheden aardgas en water, zorgt voor grote uitstoot van CO2 en brengt onaanvaardbare ecologische schade toe aan de winningsgebieden. Verdere en significante uitbreiding zal wereldwijd op veel verzet kunnen rekenen en de mogelijkheden voor uitbreiding zijn begrensd. Bovendien de Energie-In versus Energie-Uit ratio kruipt steeds meer naar 1:1 (nu 1:2) toe, wat overigens geldt voor alle non-conventionele olieproductie, waarmee de vraag opportuun wordt: “Is dit alles nog wel economisch verantwoord?” Is er geen sprake van non-economische olie in plaats van non-conventionele olie? Zeker als alle externe effecten als kosten meegerekend worden. De marginale productiekosten liggen nu al ruim boven de 100$ per vat en dat zal alleen maar stijgen. De productie van conventionele olie gaat gepaard met marginale kosten tussen 30 en 40$ per vat; vandaar de enorme winsten die gemaakt worden bij de huidige marktprijs van 125$ per vat. Deze enorme winsten maken het mogelijk om de honderden miljarden investeringen in non-conventionele olie te realiseren. Dat zal, met het afnemen van de conventionele productie niet lang meer mogelijk zijn. Zo heeft bijvoorbeeld Shell nog voor ca 15 jaar eigen oliereserves. Die zijn echter niet in één keer op, dat gaat geleidelijk en dat maakt dat de investerings-window uit eigen middelen zich langzaam sluit. De vraag is gerechtvaardigd of er ooit voldoende publiek geld beschikbaar komt om dit investeringsniveau te kunnen handhaven.
Maar dat is de wat langere termijn. Fatih Birol, de chef-econoom van het IEA heeft onlangs in een interview met de European Energy Review de noodklok over de korte termijn geluid. “Onze enige hoop om de komende 2-3 jaar een grote aanbodcrisis af te wenden is Irak. Dat is het enige OPEC land dat onontgonnen mogelijkheden heeft om de productie nog enigszins te verhogen. Maar ja, de politieke situatie daar is niet echt bevorderlijk om die mogelijkheden te benutten”.
Wat hij niet zei, want dat is nog steeds not-done, is dat de rest van OPEC al 25 jaar dezelfde “bewezen reserve” getallen hanteert, ondanks dat er in die 25 jaar ruim 300 miljard vaten opgepompt zijn. In feite is dat lucht in de aannames over toekomstige productiecapaciteit. Een voormalige topman van Saudi-Aramco, de nationale oliemaatschappij van het koninkrijk, Sadat al-Husseini, is daar heel stellig in. Net als over het feit dat de 38 grootste velden in het Midden-Oosten allemaal met de laatste fase van hun bestaan bezig zijn. Sadat’s analyse werpen ook een ander licht op de Saudische belofte het wegvallen van de Iraanse export op te vangen.
Conclusie.
Op de oliemarkt ontstaat op heel korte termijn een significant schaarste probleem op dat een steeds groeiend gat laat ontstaan tussen vraag en aanbod. .Olie wordt daarmee een risicofactor voor de transportsector en de petrochemische industrie.
De hoge prijzen van dit moment zijn niet tijdelijk, evenals sterke prijsschommelingen. Dat heeft uiteraard in negatieve zin invloed op de wereldconjunctuur, ook de Nederlandse.
De beperkte beschikbaarheid van olie betekent dat voor Rotterdam een existentiële bedreiging. De twee grote ontvang- en mengterminals, die 7 raffinaderijen en tientallen chemische bedrijven bedienen, zorgen, samen met alle toeleveringsbedrijven, voor het gros van de werkgelegenheid in het Rotterdamse. Ook de scheeps,- en luchtvaart zien hun kosten scherp oplopen Dat heeft een niet te onderschatten effect op de hele Nederlandse economie. Vasthouden aan de olieafhankelijkheid betekent slaapwandelend de volgende crisis in lopen.
Stichting Peak Oil NL heeft in 2009, in een
rapport aangeboden aan de energiewoordvoerders van de Tweede Kamer waarin een opsomming wordt gegeven van mogelijke maatregelen om de olieafhankelijkheid om laag te krijgen. Dat rapport is nog steeds actueel. De Kamer vraagt zich af wat de gevolgen van de olieprijs zijn voor Nederland. Zij zal zich ook moeten afvragen hoe we van onze olie-afhankelijkheid af kunnen komen en of ze bereid is de daarmee samenhangende consequentie te accepteren.
Maart 2012,
Stichting Peak Oil Nederland
Drs. Simon Kalf, voorzitter